Sjaak van der Tak, voorzitter van de LTO vakgroep vollegrondsgroente, meldt dat de plantaardige sectoren binnen LTO unaniem voor het ondertekenen van het convenant gewasbescherming zijn. En dat is inmiddels getekend. Er is een convenant op hoofdlijnen. Tegelijkertijd ligt er nog heel veel werk te doen om tot concrete afspraken te komen tussen overheid, maatschappij, keten en bedrijfsleven. 

Ambitie

Het convenant gewasbescherming zoals het er nu ligt is vooral een gezamenlijke afspraak om verdere afspraken te maken. Na de zomer wordt naast het huidige convenant op hoofdlijnen een inhoudelijk convenant getekend. In de woorden van Van der Tak: “Wat er nu ligt is vooral een intentieconvenant.” Dat maakt het ook relatief makkelijk om het te ondersteunen want concreet is het niet en er is altijd ambitie en/of hoop om concrete afspraken te maken die passen bij de ontwikkelingen in de vollegrondsgroente. 

Visie

Feit is dat het maken van zo’n convenant een proces is van hogere politiek: hoe schrijf je iets op waar iedereen zich in herkent? Hoe wordt het geregeld dat de staatssecretaris voor het zomerreces een positief bericht naar de ministerraad kan sturen? En hoe gaan convenantspartijen in gesprek met grote verschillen in uitgangspunten? Een politiek spel waar Van der Tak ruime ervaring in heeft. Bestuurlijke finesses is iets anders dan daadkrachtig ondernemen. De vollegrondsgroentesector blinkt niet uit in bestuurskracht maar het inzicht om een ervaren bestuurder als spreekbuis te positioneren, getuigt wel van visie bij de sector bestuurders.

Gas geven

In vervolg op het inhoudelijke convenant na de zomer gaan er sectorconvenanten ontwikkeld worden. De vollegrondsgroentesector is daarvoor zelf aan zet. Met convenantspartijen die ze zelf kan interesseren. Het huidige organisatiemodel van de sector met een zelfstandige LTO vakgroep en een actieve VollegrondsGroente Organisatie (VGO) dwingt om de stap vooruit te nemen en in gezamenlijkheid het initiatief te nemen. De lampen voor een door de sector gedragen plan staan op groen. Maar dan is het wel zaak gas te geven.

De huidige teler van vollegrondsgroente opereert in een onhoudbaar evenwicht tussen maatschappelijke wensen en eisen uit de keten.

Aandachtspunten

Het convenant is weliswaar weinig concreet, er zijn wel een aantal zaken die aandacht nodig hebben en als ze dat niet krijgen zorgelijk zijn. Eén van de aandachtspunten is de meetmethode waarop de resultaten worden gebaseerd. Er worden in het convenant twee afkortingen gebruikt: De Nationale Milieu-Indicator (NMI) en de Milieu Indicator Gewasbescherming (MIG). De NMI is een bestaande tool die gebruikt wordt in rapportages over milieueffecten. Echter is de lange tijd niet onderhouden en wordt er sinds kort gewerkt aan actualisatie op basis van huidig wetenschappelijk inzicht. De MIG is nog minder concreet. De MIG bestaat uit prestatie indicatoren (KPI) die meetbaar zijn en doelstellingen concreet kunnen maken. De vollegrondsgroentesector heeft geen ervaring met NMI en MIG maar gebruikt in duurzaamheidscertificering milieubelastingspunten. Voordeel van NMI en MIG is dat ze wetenschappelijk onderbouwd zijn dus niet in twijfel zouden moeten worden getrokken. De niet concrete invulling creëert ruimte voor de vollegrondsgroentesector om zelf de handschoen op te pakken en zelf te gaan benoemen op welke criteria gemonitord en gestuurd gaat worden. 

Autoriteit of certificering

Een ander aandachtspunt is het oprichten van een autoriteit gewasbescherming. Er wordt ook gesproken over een gegevensautoriteit. In de veehouderij is een convenant over het gebruik van antibiotica afgesloten. Dit wordt dikwijls als voorbeeld genoemd voor het convenant gewasbescherming. Daar is wel wat op af te dingen omdat het bij antibiotica nadrukkelijk om één stof gaat. In dat convenant functioneert ook een autoriteit. Deze verzamelt gegevens en maakt het mogelijk om individuele prestaties te vergelijken met het gemiddeld. Dat is het zogenaamde benchmarken van data. Voor de autoriteit gewasbescherming wordt zo’n zelfde functionaliteit genoemd maar nog niet concreet gemaakt. De vollegrondsgroentesector zou in het deel convenant de nadruk kunnen leggen op de certificeringen waar juist de vollegrondsgroentetelers massaal gebruik van maken. Deze certificeringen bestaan door audits van gegevens. En met die data is het zeker mogelijk om individuele prestaties te vergelijken. Een aanvullende autoriteit voegt daar bitter weinig aan toe.

Markt

Dat leidt direct bij het volgende aandachtspunt; de betrokkenheid van de keten. In het hoofdconvenant is de koepel van de supermarkten het Centraal Bureau voor de Levensmiddelen (CBL) partner. Maar die gaan geen concrete afspraken maken voorhun retail leden. Betrokkenheid van retail is essentieel om de volgende stappen te nemen voor terugdringen van de milieudruk. De huidige teeltsystemen zijn ingericht op minimaal gebruik van middelen maar de keteneisen zijn zwaar. Aantasting of productvreemde delen (insecten) worden niet geaccepteerd. De huidige teler van vollegrondsgroente opereert in een onhoudbaar evenwicht tussen maatschappelijke wensen en eisen uit de keten. 

Een afspraak met ketenpartijen over productspecificaties al dan niet seizoensafhankelijk is een randvoorwaarde voor het slagen van het convenant gewasbescherming. Een andere randvoorwaarde is dat de overheid als één overheid opereert en zich niet laat sturen door emoties van NGO of politiek. Een regionale overheid mag zich niet onttrekken aan de afspraken in het convenant. En de overheid is verantwoordelijk voor rust in de regelgeving rond gewasbescherming. Binnen deze randvoorwaarden is de vollegrondsgroentesector in staat om een sterk inhoudelijk innovatieprogramma te ontwikkelen. Een innovatieprogramma dat aansluit bij monitoringssystemen als NMI en MIG en met de ambitie van een vooruitstrevende sector.

Deel dit bericht